|
Abdoerraoef van Singkel
Bijdrage tot de kennis van de mystiek op Sumatra en Java.
Academisch proefschrift ter verkrijging van den graad van Doctor in de taal- en letterkunde v/d O.-I. archipel,
aan de Rijks-Universiteit te Leiden,
op gezag van den rector-magnificus Dr. J. Kluijver, hoogleraar in de faculteit der wis- en natuurkunde,
voor de faculteit te verdedigen op donderdag den 14den october 1909, des namiddags te 4 ure,
door Douwe Adolf Rinkes,
geboren te Joure.
Electrische drukkerij Nieuwsblad van Friesland, "Hepkema", Heerenveen - 1909.
Voorbericht
Hoewel de academische studie geenszins in alle opzichten aan de verwachtingen heeft beantwoord,
bestaat er in elk geval zekere reden tot voldoening en dankbaarheid, nu het klaarblijkelijk voor oogen gestelde doel,
door de medewerking van velen, werd bereikt.
In de eerste plaats past mij die aan de leeraren van de afdeeling B van het Gymnasium Willem III te Batavia,
ik bedoel de Drn. Van Ronkel en Hazeu, de Mrs. Fromberg en Nederburgh (waarbij zich later nog de heer Pleyte kwam voegen),
door wier uitstekend onderwijs (ik heb mij daarover vroeger reeds elders meer in detail uitgelaten),
groote belangstelling voor de beoefening der Oostersche letteren en wat daarmee samenhant, werd gewekt.
De gelegenheid om aan die belangstelling uiting te geven door studie op breeder basis dan te Batavia kon worden verkregen,
deed zich vrij spoedig voor, en ik maakte daarvan zonder dralen gebruik.
De strikt onmisbare klassieke kennis, om den leergang aan eene Universiteit in zijn geheel te mogen doorloopen,
dank ik aan het onderwijs eerst van den abbé Poyard, toen en vooral aan het Gymnasium te Nijmegen.
Door de voortreffelijke leiding en den paedagogischen takt, met name van den rector Dr. P.V. Sormani,
en van den conrector Dr. J. van Konijnenburg aldaar, was de tijd aan het opdoen van de noodige examen-kennis besteed,
ook voor zekere klassieke vorming geenszins van onnut, zoodat ik reden heb met groote voldoening op mijn verblijf daar ter plaatse terug te zien.
Toen kwam de Universiteit.
Door den aard der studiën was die te Leiden voor mij reeds à priori aangewezen.
Van verschillende zijden mocht ik reeds bij den aanvang steun en medewerking erlangen.
Hooggeschatte Heer Speyer!
Uwe groote welwillendheid jegens mij, een geheel onbekende, zonder introductie, ging bijna de perken te buiten.
Uwe buitengemeene helderheid van doceeren, Uwe exquise geleerdheid zijn mij van onberekenbaar nut geweest bij deze studiën.
U was de eerste die mij daadwerkelijk hielp, die de bezwaren verzachtte, die alle nuttelooze inspanning voor den leerling wist te vermijden.
Zonder Uwe hulp ware ik zeker niet geslaagd; zonder Uwe fijne medewerking zoude mij de moed om vol te houden, ontbroken hebben.
De betuiging van mijnen hartelijken dank daarvoor kan dat alles geenszins vergoeden: moge het mij later vergund zijn bij U de overtuiging te wekken,
dat een en ander niet aan geheel onwaardigen verspild is, en U aldus innerlijke voldoening voor Uwe bemoeienissen trachten te schenken.
Aangename uren bracht ik door op de colleges van Prof. van Ophuysen,
met groote belangstelling nam ik kennis van de orgineele denkbeelden van dezen geleerde nopens Indonesische taalverschijnselen,
vergeleken bij andere taalgroepen.
Het is te hopen en te verwachten, dat deze opvattingen spoedig ook buiten collegezaal en studeerkamer vernomen zullen worden,
daar zij de aandacht van ruimer kring van belangstellenden in hooge mate verdienen.
Mijne aanrakingen met Prof. Nieuwenhuis waren weinige, doch deze waren van den aangenaamsten aard.
De colleges van Prof. Vreede volgde ik te kort om daarvan veel profijt te kunnen trekken,
de werkzaamheden aan dit proefschrift veroorloofden mij niet het belangwekkend onderricht van Prof. Jonker te genieten,
wiens groote kennis van het Javaansch en van een aantal Oostelijke talen van den Archipel mij ongetwijfeld van groot nu zou geweest zijn.
Zooals het zich van den beginne liet aanzien, heeft mijn hooggeachte promotor, Prof. Snouck Hurgronje, de meeste bemoeienis met mijne studiën gehad.
Diens beteekenis op velerlei gebied van Oostersche wetenschap c.a. is reeds meermalen elders, hoewel steeds nog onbevredigend, uiteengezet.
Zijne studiën inzake den Archipel zijn langzamerhand, ook nog geenszins in hun vollen omvang, bekend geworden, en hebben nieuwen gloed gebracht in de onderzoekingen van geleerden en leeken.
In "De Atjehers" (om alleen dit te noemen) heeft hij een werk gegeven, dat nieuwe zijden belichtte van zaken, die men steeds eenkennig beoordeeld had, dat problemen oploste,
waarvan andere oriëntalisten het bestaan niet eens vermoedden, dat haast als tekstboek zou kunnen dienen voor een reeks van lateren, die de vele gegevens, daarin vervat, nader gaan uitwerken en behandelen.
Door ons jongeren wordt hij in zekeren zin beschouwd als een moedjtahid, als de stichter van een madzhab: de mate van geleerdheid, die hij, en ook alleen hij, met zijn intellect, temperament en zijne werkkracht, vermocht meester te worden, is voor latere geslachten onbereikbaar.
En uit zijnen rijken schat van kennis heeft hij medegedeeld, zonder weerhouding, zonder bedenking.
Wellicht zou de wijze van doceeren in sommige opzichten minder ontmoedigend hebben kunnen zijn, ten minste voor mij; over den inhoud van zijn onderwijs valt slechts te roemen.
Geen detail ontsnapte aan zijne ontleding, geene bijzonderheid vermocht zich aan behandeling te onttrekken.
Diezelfde mildheid met zijne kennis, gepaard aan groote nauwgezetheid, bleek bij de werkzaamheden voor deze dissertatie.
Niet alleen werden de daarvoor benoodigde Hss. e.a. werken met groot vertrouwen uit eigen boekerij mij beschikbaar gesteld,
doch ook wijdde hij voortdurend een onvermoeide aandacht aan de fouten en verzuimen die ik beging, de weglatingen en overtolligheden, die zich voordeden, kortom, geen enkele kleinigheid bleef voor zijne alspeurendheid verborgen.
Tot zelfs de nauwkeurige correctie der drukproeven dank ik aan zijne nimmer falende oplettendheid.
Heer Professor! U voor dat alles te danken, zou miskenning zijn: iemand, die uit zoo grooten voorraad put, mist zijne gave niet.
Wel echter wensch ik hier nog in dankbare herinnering te brengen de hulp die U mij verschafte bij de gunstige Regeeringsbeschikking, waardoor ik in staat werd gesteld, de eens begonnen studiën regelmatig te voleinden, en het naastliggende doel te bereiken.
Niemand anders dan U zou het gelukt zijn dat resultaat te verkrijgen en de autoriteiten voor Uwe opvattingen te winnen.
Bij de verschijning van elk proefschrift moet het wenschelijk worden geacht, dat de voorrede een enkel woord bevat tot toelichting van de keuze van onderwerp.
Te meer geldt dat hier, omdat degelijke arbeid op dit gebied staat en valt met de belangstelling, de toewijding van de betrokken persoon zelve.
Het werk moet de bevrediging in zich dragen, daar de belooning in maatschappelijken zin bij lange niet geëvenredigd kan zijn aan de te besteden arbeid en inspanning, ten minste verre achter staat bij hetgeen elders in het practische leven, in handel en industrie voor overeenkomstigen intellectueelen arbeid wordt vergoed.
Men schrijft dus in de eerste plaats uit neiging, om te voldoen aan de eigen behoefte tot werkzaamheid op eene wijs, die zich het best bij de betrokken persoonlijkheid aansluit.
De mystieke opvattingen in den Archipel hadden mij reeds lang belangstelling ingeboezemd, en het verheugde mij zeer de gelegenheid te hebben daarover nader te worden ingelicht.
De mogelijkheid daartoe bestond alléén (ieder die eenigszins met de omstandigheden bekend is, zal dit toegeven) wanneer men zich door de degelijke en volledige zakenkennis van Prof. Snouck Hurgronje kon doen voorlichten en wegwijs maken.
Aan dit laatste heeft het dan ook, zooals gezegd, geenszins ontbroken: zonder de veelvuldige toelichtingen van en besprekingen met mijnen promotor zoude de stof voor mij onverduwbaar zijn gebleven, en ik wil gaarne bekennen, dat er nog veel is, dat mij niet altijd even helder en duidelijk is geworden, maar men kan ook niet álles vragen.
Veel ook van hetgeen mij niet helder werd, moge wellicht op rekening van gebrek aan taalkennis, van den eenigszins ongewonen stijl en vooral de onvolmaaktheden der geraadpleegde teksten zijn te schrijven.
Bovendien echter laat zich het beoordeelen van mystiek in zekeren zin met dat van poezie vergelijken.
Om over dit laatste onderwerp te kunnen schrijven, moet men toch zelf eenigszins poëtisch begaafd zijn, omdat anders de finessen, welke de dichter in zijne taal heeft willen leggen, den beoordeelaar geheel ontgaan.
Evenzoo nu dient men zelf eenigermate mystisch te kunnen gevoelen, om die "hypertrophy of religious feelings", die "monomania" (deze uitdrukkingen zijn van Sprenger) op hunne rechte waarde te schatten.
Nu vrees ik dat dit laatste wellicht min of meer heeft ontbroken.
Wel zijn wij Friezen geen "wooden-minded literalists", maar onze nuchtere zwaartilligheid leent zich niet zoo gemakkelijk tot het na-gevoelen der mystieke gemoedservaringen van anderen, als die in dergelijken geheimzinnigen klinkklank zijn uitgedrukt.
Een geheel logischen gedachtengang en een evenredige indeeling heeft deze dissertatie verder niet in allen deele: voordat een volledig overzicht kon worden verkregen van de te behandelen stof, moest reeds aan uitwerking en rangschikking worden gedacht, en gelegenheid tot belangrijke wijziging bestond toen niet meer.
Het eerste hoofdstuk bevat een kort overzicht van enkele phazen van het Soefisme, dat uit de gezaghebbende Europeesche litteratuur werd samengesteld, en alleen bekende zaken in herinnering brengt, met name voor zoover die konden strekken als eene inleiding tot hetgeen in de volgende hoofdstukken wordt medegedeeld.
Deze laatste zijn nagenoeg uitsluitend naar de oorspronkelijke geschriften bewerkt.
Eene zekere dorheid en gewrongenheid van stijl was daarbij meermalen onvermijdelijk, omdat ik zonder steeds woordelijk te kunnen vertalen, toch altijd zooveel doenlijk aansluiting zocht bij de orgineele teksten.
Het doel moest immers in de eerste plaats zijn den lezer in kennis te stellen met hetgeen de teksten bevatten, niet om subjectieve verklaringen daarvan te geven.
Natuurlijk is eene vertaling zelve reeds eene interpretatie, vooral bij teksten als de hier behandelde, doch ik heb overal waar dit maar eenigszins noodig scheen, het orgineel in de noten laten volgen.
Deze laatsten zijn, mede daardoor, talrijker en omvangrijker geworden dan ik gehoopt en gewenscht had, en hebben zich bij latere revisies, als ware woekerplanten, soms nog belangrijk uitgedijd ten koste van den tekst.
Moge het dus niet steeds gelukt zijn zooveel mogelijk te zeggen in weinig woorden, als verontschuldiging kan strekken, dat: "je n'ai pas eu le loisir de la faire plus courte" (Pascal).
De geciteerde werken zijn, behoudens enkele uitzonderingen, in Bijlage I alphabetisch gerangschikt.
De meeste aanhalingen werden gemaakt currente calamo: bij systematisch onderzoek zouden de citaten over allerlei onderwerpen, die werden aangevoerd, nog met vele te vermeerderen zijn geweest, zonder dat men daarmee echter het doel belangrijk nader zou zijn gekomen.
Werken, die overeenkomstige onderwerpen behandelen als hier ter sprake komen, doch die ik te laat in handen kreeg om ze nog voor deze studie te benutten waren:
- Prof. G. Jacob, Die Bektaschijje in ihrem Verhältnis zu verwandten Erscheinungen (Abh. der K. Bayer. Akad. der Wiss. I Kl. XXIV Bd. III Abt.);
- Duncan B. Macdonald, The religious attitude and life in Islam, Chicage 1909;
- Prof. I. Goldziher, Neuplatonische und gnostische Elemente im Hadits (Zeitschrift für Assyriologie XXII);
- Baron Carra de Vaux, La doctrine de l'Islam, Paris 1909 (Ch. IX La mystique draagt eenigszins een tendentieus karakter);
- Clément Huart, Textes persans relatifs à la secte des Houroufis, Leiden - London 1909 (Gibb's memorial-series IX);
- E. Doutté, Magie et Religion dans l'Afrique du Nord, Alger 1909.
Bij de transcriptie heb ik getracht zoo eenvoudig mogelijk te zijn.
De vierde letter van het Arab. alphabet is door ts, de negende door dz, de elfde door z, de vijftiende door dh, de zeventiende door th, de twee volgende door ' resp. gh, de een en twintigste door q aangegeven, en de hamzah in het midden van een woord door '.
Om typographische reden werd afgezien van eene aanduiding van andere eigenaardige consonanten, aleen in den index zijn de zesde, veertiende en zestiende letter, alsook de lange vocalen door cursief-druk onderscheiden.
De uitgang ijjah is steeds ijah, het woord sajjid steeds said geschreven.
Enkele inconsequenties zijn wellicht bij de revisie of correctie nog over het hoofd gezien.
Ongetwijfeld zullen ook de feilen in ander opzicht, die dit geschrift aankleven, vele blijken te zijn.
Ik behoef echter zelf daarop de aandacht niet te vestigen: critici zijn er steeds genoeg, die wel zorgen dat de gebreken vooràl bij eene bespreking in het goede licht worden gesteld (Bij deskundige critiek houd ik mij voor eene kennisgave daarvan aanbevolen).
Maar dan kan ik mij troosten met de wijze opmerking van den ouden Tiresias (Sophocles Antigone, 1023-4):
"- - - - - - anthropoisi gar tois pasi koinon esti touksamartanein."
Een enkel woord nog tot U, dierbare Ouders, en vooral U, geliefde moeder!
Niet steeds ontmoettet gij voorspoed in het leven, geenszins was Uw pad van zorgen vrij.
Maar U beiden vondt in het welzijn Uwer kinderen vergoeding voor het overige, dat U ontbrak.
De promotie van Uwen oudste zal thans ongetwijfeld mede tot Uwe verheugenis strekken:
vergunt het mij daarom U dit geschrift op te dragen als een luttel blijk van mijne liefde en eerbied.
D.A.R.
^ Top
|